Vervolg DORIENDAVID en Puck en Hans

Vervolg DORIENDAVID en Puck en Hans

De expositieHet zou een modevraag uit #deslimstemens kunnen zijn: Wie zijn

Ferry Offerman, Rob Kroner, Max Heymans, Dick Holthaus, Cargelli, Fong Leng, Daryl van Wouw, Lola Pagola, Theo Sijthoff, Sheila de Vries, Percy Irausquin, Frank Govers, Carla V., Koos van den Akker, Frans Molenaar.

Het antwoord laat zich raden, het zijn allemaal min of meer willekeurige namen uit de modewereld die gemeenschappelijk hebben dat ze bij het grote publiek vergeten zijn of vergeten dreigen te worden. Met Puck en Hans zal ongetwijfeld hetzelfde gebeuren. De huidige overzichts tentoonstelling in het Amsterdam Museum zorgt wat dat betreft gelukkig voor wat vertraging.

We bezoeken de tentoonstelling ‘Puck en Hans – couture locale, over een iconisch modeduo’. Door de titel lijkt het een Amsterdamse aangelegenheid maar het stel had lang geleden ook winkels in Den Haag (1967) en Rotterdam (1971). In Rotterdam in de Van Oldenbarneveltstraat! In hun jonge jaren waren dit de steden waar ze zich ontwikkelden en elkaar leerden kennen. Maar Amsterdam werd uiteindelijk het belangrijkste. De mooiste etalages (in een prachtig pand op het Rokin, van de hand van Hans) waren in Amsterdam (vanaf 1974), evenals de spraakmakende modeshows (Artis, Westergasfabriek). Het ingebed zijn in de Amsterdamse modescene werkte zeker in hun voordeel.

 

In een vorige blog in de laatste Nieuwsbrief schreven we: ‘Op een recent verjaardagsfeestje blijken er meerdere fans (en vroegere klanten) van Puck en Hans te zijn’. Wat we er niet bij vertelden was dat de namen voor de jongere aanwezigen volstrekt onbekend waren. Maar dat is niet echt schokkend. In een recent televisieprogramma bleken Koot en Bie bij de jongere leeftijdsgroepen ook niet op de harde schijf te zitten.

 

De tentoonstelling kwam tot stand door een soort crowd funding op de sociale media maar in plaats van geld werd kleding opgehaald van het eens illustere modepaar. Deze bleek nog in ruime mate aanwezig in de garderobekasten van de oud-klanten en bewonderaars.

 

Een bezoek aan de expositie laat een bonte mix zien van kleding die soms stylisch maar heel vaak vooral uitbundig en trendy (voor die tijd) is. De levendigheid wordt benadrukt doordat de samensteller van de tentoonstelling niet chronologisch te werk is gegaan maar thematisch.

De thema’s schieten alle kanten op:  Waterlelies, Business, Birds of Paradise, Etalages, Silhouetten, Afrika, Sexy zwart, Oosters, Memories, Mongolie, India en Bruid.

Erg spectaculair en afwisselend maar het zicht op het ontwikkelingsproces van Puck en Hans is zo moeilijk te zien. Wat je als ingewijde wel ziet dat de kleding vakkundig gemaakt is zonder couture genoemd te kunnen worden.

Je ziet er de tijdgeest door heen van wat aangeduid wordt als de zestiger jaren (een periode die liep van eind zestiger jaren tot de tachtiger jaren). Met de ogen van nu oogt het allemaal best wel hippieachtig, speels soms bijna baldadig.

Een andere Amsterdamse modeontwerper Frank Govers, stond trouwens al eerder bekend om zijn voorliefde voor bonte kleuren: In de tweede helft van de jaren 60 raakte Govers geïnspireerd door de hippies die een eigen mode hadden met kleding uit India, jassen uit Afghanistan, omslagdoeken met franjes en kwasten, en etnische sieraden. In 1974 begon hij opnieuw met couture, gekenmerkt door uitbundige kleuren, overdadig stofgebruik en veel borduursels (Wikipedia). Grappig en interessant is dat deze ontwikkeling van uitbundige kleuren en patronen zich nog eerder manifesteerde in de kindermode. Het Nederlandse merk Oilily begon al in 1963 op deze wijze kleding te ontwerpen (Wikipedia).
Govers was op zijn beurt een voorbeeld voor de ontwerpers die de bohemienne chic van de jaren 70 perfect wisten te verbeelden in ingenieuze ontwerpen (Wikipedia).

Toen de verbeelding aan de macht kwam, kwamen de kleuren als vanzelf op.

Puck en Hans vonden het leuk met allerlei ongebruikelijke – vaak nieuwe – stoffen te werken. Ze pretendeerden niet als Govers haute couture te maken. Daarmee was het niet gelijk pret-a- porter. Het was een slag beter, de kleding moest gewoon goed in elkaar zitten, daar zorgde Puck wel voor.

Al met al geeft de tentoonstelling een mooi beeld van een sympathiek modebedrijf, geleid door mensen met een visie en begrensde ambitie die op hun hoogtepunt gestopt zijn.

Intrigerend is dat de golfbeweging van de mode weldra een nieuwe ontwikkeling liet zien van jonge Japanse en Belgische ontwerpers die kleding ontwierpen met sobere belijningen en het vrijwel ontbreken van kleur.